poezie

Stof | Caro 2005

De stenen tijd.

Dat ze dan spreken

met zoveel woorden voor de oude liefde,

zoveel voor de nieuwe.

Met een gesplinterde duimstok
meten ze de stand van de stank van de wonde op
alsof dat een planeet op zichzelf is.
Het organisme moet zich tenminste aan het eigen wezen hechten
en weet zich na een afgebrande nacht weer kansrijk.
Zo was de vrouw vannacht de volbloed die de eerste mens het land liet zien.
Het was om van te schrikken zo klopte het.
Het klopte zoals het eigen lichaam klopt.
De stenen tijd gaat schuil achter een dansende menigte
met duizend kleuren en stemmen stofwolken geworden
van bij de galop waarmee het feest begon.
Als de aarde eens ogen had
en hun namen in hun bloed geschreven stonden
en ze hoe ze zijn genoemd zouden morsen
om maar vruchtbaar te zijn
en dat schrift in de aarde aarden  kon.
Uit de kutten van de vrouwen groeien wortelstronken
op zoek naar grond en het zoete land
dat hen kan herbergen
en verbergen, misschien.
De baby´s rijpen aan de bomen
tot ze in haar schoot vallen zacht gras koel de schaduw
die nog van niets weet ach.
Ze zouden schreeuwen omdat de tijd uit was uitgebroken,
steengruis sporen had getrokken
en wegwist met haar eigen geweld.
Ze zouden los en vast en duizend en een zijn
en ze deden gekke dingen en de gekke dingen die ze deden
zouden nog niet gek genoeg zijn.
Een vuur wordt overgeheveld in een droom,
een droom wordt gedoofd
en wat van as is wordt weer van wolken
en niets hoeft nog hoog aan de hemel gehouden te worden
om te zijn opgelost.
Een vrouw gaat in de geest terug in de tijd
en vouwt zichzelf open als een kledingstuk van puur katoen
voor een ritueel gewas.
De ingewanden zijn als kroonjuwelen
voor de getuigenis van de ontmoeting
van het water met de wind.
Er is zand waar ze bloed zou verwachten
en er is wind en er is zand
en er is wind en zand waait weg.
Ze waait in vier richtingen ergens vandaan,
het heden of iets van dien aard.
De wind wordt als de tijd
en de tijd is een verborgen beeld in de stenen
en die ziel daar spreekt met een grote mond
om niet ongehoord te zijn eindelijk
en de woorden krijgen vorm
en tellen mee.
Loslaten is niet iets uit handen geven.
Loslaten is handen openvouwen
en in de zondaar de zon daar zien.
Als de wind inademt in alle richtingen wordt ze een kruis,
met het hart op de goede plaats zo is het geloof van de vrouw
het centrum en ze krijgt weer lucht.
Was de ander alles op het eerste gezicht,
is in een later beeld de ander om het even.
Hoeveel tranen moet dat kosten?
Of moeten we onszelf begraven
en daar dan elk jaar een keer gaan dansen?
Hoe doen we dat?
Ze maken lichtjes op de zee en gaan schoonzwemmen.
Zonder schouders ophalen dat is iets anders.
Heel even.
De evenaar is de aureool van het volk.
Het is de grootste omhelzing aller tijden.
Daar vergroeit ijs met ijs,
daar licht zonder zwaartekracht een bloemenkrans op,
daar doopt men veren in de witte inkt
om blote cirkels te tekenen
aan de hemel,
daar smelten de vrouwen
om over te vloeien in het water
waarin ze wonen.
Onder water ziet elk oog voor zichzelf
dat slechts het zien het zelf is, zuurstof zat.

Ze knippert met haar ogen en hij stikt.
Ze knippert met haar ogen en hij staat.

De stenen tijd toont zich en toont zich moedig bovendien nu
en stelt zich tentoon en ter beschikking van haar wetenschap.
De vrouw betast de ronding van de stenen tijd
en de holtes van duizend uren donker.
Het ontneemt de vrouw de adem toch niet meer dan dat.
Ze loopt naar binnen
tot daar de uitsparing is
die haar weten
en haar wensen omvat.
Ze toont hem de stenen tijd.
Dat ze daarbij zwijgt.
Dat ze hem dan aankijkt zonder einde.
Dat dat is waar ze vandaan is gekomen
en dat dat ook is waar ze weer vandaan zal gaan.
De zee is een film in zijn ogen.
Hij is een koning.
Hij sluit zijn hand om de stenen tijd als om een kuiken.
Hij ademt uit.
Zij ademt in.
De wereld is van water.
De aarde is van bloed.
De tijd leeft en droomt en
leeft weer.
Een steen gaat open.
Een steen gaat dicht.
De koning weet dat het een moment is.

Handen laten het eerst los.
Ogen het laatste.

 

De Bronstijd

Op een rechterschouder van een vrouw
strijkt een vogel neer, de raaf volgens een legende;
herinnering.
De vrouw herinnert zich een kring.
Op het hoofd draagt ze een verlaten nest,
een hoofdtooi hoeft niet steeds nieuwe oogst
om te eten of te offeren te zijn.
Hand in hand zuchten ze van verheuging,
accordeonvrouwen die zijn uitgetrokken met een lange adem.
Aan het andere einde sluit een vrouw de cirkel.
Ze leunt met haar kruin tegen de borsten van haar buur
de ogen dicht toe maar zo kun je elkaar tegemoet treden
je geest je moet er alles uithalen wat erin zit;
eischaal waar van binnenuit op wordt getikt.

Aan alle kanten wordt gebroed op een begin.

Vertrouw blind op het vliegen van zo´n vogel.
Ook in de lucht zijn de meeste routes rond.

Met zijn twaalven werken ze de uren af,
twaalf hartritmes reizen de hele tijd door.
Twee ledematen doen de klok doormidden
volgens luie benen is het kwart voor drie
maar ook van mensen gemaakt
laat de tijd zich niet zeggen
hoe ze te verdelen valt,
zelfs een plastic vredesduif
ergens op een raam geplakt
verstoord het zicht,
ruimte is al net zo eenkennig.
Noord en zuid binnen en buiten
snel en langzaam horizonnen
lopen door elkaar;
er staat iets te gebeuren.

Van vroeger tijd krijgt een verdwijning aangeboden
in de vorm van liederen waarmee de vrouwen alle tranen terugtrekken
van een vaardigheid waarmee een koning zijn soldaten,
knappe jongens die in de frontlinie vuisten slaan
op verzonnen vijanden, voor het verzet.

Klank is de eerste assistent van de abstractie van de tijd.
Daarom is huilen het eerste wat we doen als we op de wereld komen.

Kijken is iets anders.

Broden brons smelten om tot koningsbloed,
de vrouwen dopen hun handen diep in het brandpunt
hoopvol tasten zij hun ribben af met zoete vuurstrepen
van oranje stroop voor de oudste optelsom der tijd.
Ze likken dagresten van hun vingers.
Ze willen schoon zijn voor de man in hun midden.

Zullen het de zaden of de kogels van de koning zijn?
Hoe zal genade zijn afgevuurd op hen?

De vrouwen dragen ieder hun vrucht.
Eén slechts maken ze na op instructie van de Koning,
het mensenkind, zo kan hij het beeld van de geboorte behouden.

Uit een schoot van een vrouw komt een schedel met speerpuntsporen.
De volgorde van het jagen moet je voorbereiden.
Eerst sporen zoeken pas later sporen wissen, schoon schip maken.
Uit een schoot van een vrouw komen gespleten tongen
met de tanden van de tijd, vandaag mag het veel giftiger dan gisteren,
meisjes waren ze die nog moesten leren aanvaarden dat ook zij meerstemmig zijn.
Uit een schoot van een vrouw komen gele vlammen
die worden weggeblazen met de overmacht van de wind.
Het lijkt net of de wind buiten de wind om gaat,
niks sprookjesachtig, uittreding snijdt evengoed in je gezicht.
Uit een schoot van een vrouw komen vogels gevlogen om de lucht vrij te maken,
vleugels met de kartelrandjes als aan postzegels, voor briefhoofden
die met lieve puntje puntje komma om zich heen kijken en uitzien naar hun bestemming.
Vogels hebben altijd tijdzones doorkruist met een goede reden.

Een vogel brengt een brief.

De koning heeft een bericht aan het volk,
uit de schoot van een vrouw is zijn zoon geboren.
De dorpelingen stamelen van schrik; hier begint de tijd voorgoed.
Op het dorpsplein komt een nieuw verzamelpunt,
in het brons is hij nog mooier.

Op de linkerschouder van een vrouw
strijkt een vogel neer, de raaf volgens de legende;
gedachte.
De kringoudste denkt dit kind is van mij.
In haar handen houdt ze een leeg schrift,
daarin plakt ze straks zijn leven op in krantenkoppen.
Arm in arm kreten van opwinding,
ketting met kralen van kruis bestuifde bessen.
Aan de andere kant laat een vrouw dit kind los.
Hij zal God en de hele wereld in de war maken
omdat het hem wat kan schelen en wie is zij dan?
Ze weet dat hij zal komen als ze hem roept
met honderdduizend hoofden komt hij als ze hem roept,
groot rond en gerimpeld of met opgezette ogen wie weet,
en ze herkend hem, ze is zijn moeder.
Ze ziet hem al gaan.
Hij is aan het verdwijnen.
Hij houdt zich vast aan de vleugels van het paard,
de wolken liggen aan zijn voeten.
de wolken liggen
de wolken
Hij is weg.

Aan het hartkamertje
voor de kleine
verandert ze niets.

Ze roept pas eeuwen later.

De IJstijd

ijs ijs  ijs  ijs ijs
ijs ijs  ijs  ijs ijs
ijs ijs tijd ijs ijs
ijs ijs  ijs  ijs ijs
ijs ijs  ijs  ijs ijs